Welkom bij het Regionaal Veiligheidshuis

Regionaal Veiligheidshuis Maas & Leijgraaf boekt goede resultaten met nazorg

Een wereld van verschil

Kwam het enkele jaren geleden nog voor dat een ex-gedetineerde met de bekende blauwe vuilniszak en een treinkaartje op het station werd ‘gedumpt’, inmiddels staat de nazorg voor ex-gedetineerden vanuit het Veiligheidshuis Maas & Leijgraaf stevig op poten. De resultaten zijn veelbelovend: ‘Onze detentierecidive ligt ver onder het landelijk gemiddelde.’

Het was even schrikken voor Annemieke de Winter, directeur/coördinator van het Regionaal Veiligheidshuis Maas & Leijgraaf, toen ruim twee jaar geleden de voorbereidingen startten voor de opzet van de nazorg voor ex-gedetineerden. ‘Je hoorde wel eens van die verhalen over mensen die uit de gevangenis kwamen en dan op een vrijdagmiddag met een blauwe vuilniszak en een treinkaartje, maar zonder een cent op zak en zonder een adres waar ze heen konden gaan, op het dichtstbijzijnde treinstation werden “gedumpt”. Ik dacht: dat gebeurt in Nederland toch niet meer…? Maar dat bleek dus nog wèl zo te zijn! Als ik nu terugkijk, is er in korte tijd zoveel winst geboekt. Echt een wereld van verschil.’

Per 1 januari 2008 ging de coördinatie van de nazorg voor ex-gedetineerden in Maas & Leijgraaf van start. Te beginnen in Maasland, een van de drie politiedistricten (naast De Leijgraaf en het Land van Cuijk) waar het in Oss gevestigde Veiligheidshuis voor werkt. Het meeste pionierswerk werd verricht door nazorgcoördinator Marga van Esch, die het model opzette en alle relevante partners wist te mobiliseren. ‘De verantwoordelijkheid voor nazorg ligt formeel al enkele jaren bij de gemeenten’, vertelt Van Esch. ‘Maar veel gemeenten hier in de regio, vooral de kleinere, hadden nog steeds iets van “Help, hoe moeten we dat doen?” Elke gemeente had inmiddels wel een contactpersoon nazorg aangewezen, maar hoe moest zo’n gemeenteambtenaar nu weten of iemand die vrijkomt psychisch gestoord is, verslaafd, of misschien wel een huiselijk geweldpleger? En hoe moest hij of zij weten wat zo iemand precies nodig heeft aan zorg of ondersteuning en wat de mogelijkheden zijn?’

Goede informatieuitwisseling was dan ook een eerste vereiste. Van Esch zette het ‘casusoverleg nazorg’ op - aanvankelijk alleen voor Maasland; sinds dit jaar heeft ook het Land van Cuijk haar eigen nazorgoverleg. Alle relevante partners schuiven aan: de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), politie, gemeente, maatschappelijk werk, verslavingszorg, reclassering, woningcorporatie, maatschappelijke opvang, GGZ en MEE, een stichting die (op indicatie) licht verstandelijk gehandicapte personen begeleidt. Van Esch: ‘Tweewekelijks bespreken we alle nieuwe gedetineerden van wie we een screeningsrapportage hebben ontvangen. Daarnaast komen alle zaken aan de orde waarin nog afspraken openstaan en die we om die reden blijven volgen.’

De screeningsrapportages worden opgesteld door de medewerkers maatschappelijke dienstverlening (MMD’ers) van DJI. De rapportages bevatten begin- en (voor zover al bekend) einddatum van de detentie en een eerste inschatting van wat de gedetineerde op het moment van vrijkomen nodig heeft op de gebieden huisvesting, werk/inkomen, identiteitsbewijs en zorg. ‘Een week voor het overleg krijgen alle deelnemers de agenda toegestuurd’, vertelt Erich Verhoffstadt, voorzitter van het casusoverleg Maasland. ‘Iedereen kijkt dan in het computersysteem van de eigen organisatie wat er over die gedetineerden nog méér bekend is en wat relevant is om in te brengen tijdens het nazorgoverleg.’ Door de inbreng vanuit verschillende disciplines wordt het plaatje voor elke gedetineerde compleet. Dit kan leiden tot een meer genuanceerd, of zelfs tot een verrassend ander beeld. ‘In de sterk gestructureerde omgeving van een gevangenis kan iemand soms heel ander gedrag vertonen dan buiten’, weet De Winter. ‘Ook laten gedetineerden in het gesprek met de MMD’er niet altijd het achterste van hun tong zien. Zo zal iemand niet snel vertellen dat hij uit zijn huis is gezet wegens hennepteelt, omdat dat zijn kans op een woning aanzienlijk verkleint. Dankzij de informatie uit het casusoverleg valt uiteindelijk meestal toch alles op z’n plek.’ Verhoffstadt merkt bovendien dat de MMD’ers, door toenemende ervaring, ‘groeien’ in hun rol. ‘Ze hebben geleerd om in hun interviews met de gedetineerden beter dóór te vragen. Ook weten ze nu beter welke informatie allemaal van belang is om de juiste nazorg te kunnen bieden. Zo heeft de stichting MEE de MMD’ers voorlichting gegeven over mensen met een licht verstandelijke beperking: hoe kun je ze herkennen, waar moet je op letten? En dat je ze eventueel een test kunt laten doen. Dat kan ertoe leiden dat je een ander soort nazorg moet aanbieden, bijvRegionaal Veiligheidshuisoorbeeld met een vorm van begeleid wonen.’

De 22 casussen die Verhoffstadt die middag vaardig tot goede (vervolg)afspraken leidt vertonen een grote diversiteit: van first offenders tot veelplegers, van uiterst coöperatieve personen tot gedetineerden die zelfs weigeren zich te laten screenen; en van mensen voor wie nagenoeg niets geregeld hoeft te worden tot zwaarverslaafden, die geen dak boven hun hoofd hebben en kampen met grote schulden. ‘Nazorg is continu maatwerk leveren’, merkt De Winter op. ‘Door de betrokkenheid en creativiteit van alle instanties die participeren in het nazorgoverleg, slagen we er steeds beter in dat maatwerk ook echt te leveren.’

Dat laatste blijkt wel uit de resultaten. Van de 198 ex-gedetineerden (unieke personen) die tussen 1 januari 2008 (de start van de nazorg) en de meest recente peildatum (19 september 2009) in de politieregio Maasland een nazorgtraject doorliepen, hoorden er slechts 16 de gevangenisdeur opnieuw achter zich in het slot vallen. ‘Daarmee scoren we erg gunstig’, rekent Van Esch voor. ‘Landelijk bedraagt de detentierecidive na één jaar gemiddeld 22 procent; en na twee jaar 34 procent. In de periode waarover wij nu meten – één en driekwart jaar - zal het landelijk gemiddelde dus zo rond de 30 procent liggen. De detentierecidive in Maasland ligt daar ver onder: 8 procent.’ Ook als gekeken wordt naar de totale detentierecidive (vier Maaslandse gedetineerden vielen in deze periode twee keer terug; eentje zelfs drie keer) ten opzichte van de totale instroom, doet Maasland, met een detentierecidive van 10 procent, het uitstekend. Over eventuele andere politie- of justitiecontacten, die niet tot een nieuwe detentie hebben geleid, kan het Veiligheidshuis Maas & Leijgraaf nog geen cijfers geven. ‘Op dit moment is de detentierecidive het enige waar we echt goed zicht op hebben’, erkent De Winter. ‘Zodra op elk van de vier terreinen waarop de nazorg zich richt – woonruimte, werk/inkomen, identiteitsbewijs en zorg/ondersteuning – duidelijk is wat er moet gebeuren en het benodigde in gang is gezet, sluiten wij een casus af. Wij zien iemand alleen terug, als hij of zij opnieuw instroomt als gedetineerde.’ Om beter en vollediger zicht te krijgen op de kwaliteit en de houdbaarheid van de nazorg, werkt het Veiligheidshuis momenteel aan een flexibel monitoringssysteem, dat nazorgklanten langer in beeld moet houden. Van Esch: ‘We zijn er nog niet helemaal uit op welke vragen we precies een antwoord kunnen en willen geven en hoe de behoeften van onze partners zijn hierbij. Willen we we alle afgesloten casussen na – pakweg – een half jaar nog eens bekijken, om te zien hoe het die ex-gedetineerden nu vergaat en of er nieuwe politiecontacten zijn geweest? Of beperken we ons tot de grootste risicogroepen, zoals de veelplegers, en gaan we die intensiever monitoren – bijvoorbeeld na twee maanden, een half jaar en een jaar?’

Vooralsnog heeft de nazorg in Maas & Leijgraaf echter een uitstekende start gemaakt. De Winter: ‘Ons Veiligheidshuis werkt voor 13 gemeenten in drie politieregio’s. Die zijn zeer tevreden. Vooral de kleinere gemeenten vinden het echt een uitkomst dat de nazorg wordt gecoördineerd vanuit het Veiligheidshuis. In hun eentje, zo erkennen ze, hadden ze dat nooit voor elkaar gekregen.’ Vanuit deze gunstige positie werkt het Veiligheidshuis momenteel aan verdere verbetering van de nazorg. ‘Het regelen van de vier basisvoorzieningen staat inmiddels aardig op poten’, oordeelt Van Esch. ‘Maar daarmee ben je er in sommige gevallen nog niet. Denk aan een TBS’er die vrijkomt, of een zedendelinquent. Wat moet er dan allemaal extra gebeuren? En welke rol kan het casusoverleg daarbij vervullen?’ ‘Of neem veelplegers’, vult De Winter aan. ‘Moet je daar in het kader van de nazorg niet een heel intensief traject voor opzetten, met een personal coach? En zijn de gemeenten dan ook bereid om dat te betalen? Over de kosten van nazorg wordt nog wel eens moeilijk gedaan. Dan zeg ik op mijn beurt: wat kost het je als gemeente, als je besluit om het niet te doen en als die persoon voor criminaliteit en overlast blijft zorgen? Goede nazorg betaalt zichzelf terug; daar ben ik van overtuigd. Alleen – en dat noem ik wel eens “de vloek van het Veiligheidshuis” – hoe maak je dat goed inzichtelijk? Het blijft een kwestie van telkens opnieuw investeren in het netwerk, in de relatie met de gemeenten en andere partners, om mensen te overtuigen van de méérwaarde van deze manier van werken en ze te verleiden om mee te doen.’